Nl-Fr

Invaliditeit


Invaliditeitsbepaling Oftalmologie

Toelichting van OBSI door Prof. Dr. T. Zeyen (31-07-2018)


Inleiding


1.1 Stoornissen van de gezichtsscherpte

1.1.a  Blindheid

1.1.b. Verlies van het gezichtsvermogen van een oog terwijl het ander oog normaal is

1.1.c. Vermindering van het centrale gezichtsvermogen aan een oog of aan beide ogen

1.1.d. Perifeer gezichtsvermogen/gezichtsveld

1.1.e. Licht-en kleurzin

1.1.f.  Stoornissen van het binoculair zicht en van de motiliteit

1.1.g. Opaciteiten van de brekende media


1.2 Adnexae van het oog

1.2.a. Oogkas

1.2.b. Oogleden en bindvlies

1.2.c. Traanstelsel



Officiële Belgische schaal ter bepaling van graad van invaliditeit (OBSI)

Deel X: Oftalmologie


De officiële Belgische schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit (KB van 1975-1976) is bestemd om, krachtens de wettelijke beschikkingen welke er de toepassingen van bekrachtigen, als schattingsbasis te dienen voor de door tussenkomst van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst uitgevoerde medische expertises.

Deze schaal is, al naargelang zij een welbepaald percentage oplegt of een marge bij de raming toelaat, imperatief of indicatief. In laatstgenoemd geval is zij imperatief voor wat de voorziening minima-maxima percentages betreft. De opgenomen gegevens hebben tot enig doel de lezer een richting aan te duiden.


Inleiding

  1. Het schatten van de blijvende invaliditeit vereist enerzijds de definitieve stabiliteit van de letsels en anderzijds een wetenschappelijk verantwoorde correlatie tussen de functionele afwijkingen en de anatomische letsels van het oog en de adnexae. Hieruit volgt dat de schatting van de invaliditeit zal uitgesteld worden, ofwel slechts ten voorlopige titel zal gebeuren, zolang de letsels nog evolueren (vb. abnormale oogdruk, cataract, retinaloslating, vitreumbloeding, enz.), of als de patiënt functionele stoornissen vertoont zonder objectief waarneembare veranderingen.

  2. Voor de schatting van de invaliditeit moet de expert enkel rekening houden met medische factoren, met uitsluiting van elke andere factor (leeftijd, beroepseisen, elementen van sociale, economische of ecologische aard, enz.).

  3. De esthetische schade wordt gewoonlijk geschat met een gradatie (onbeduidend, zeer licht, licht, middelmatig, belangrijk, zeer belangrijk, afzichtelijk). De invaliditeitspercentages die hieronder zijn vastgelegd, houden rekening met de esthetische schade van de oogbol zelf of van de adnexae. Dit zal vermeld worden bij de schatting van het invaliditeitspercentage.

  4. Als er verschillende letsels aan het oog bestaan, mag de eventueel toegestane cumul van de invaliditeitspercentages voorzien voor elk letsel afzonderlijk het invaliditeitspercentage voorzien voor de fundamentele letsels niet overschrijden. (vb Art. 724 tot 727).



1.1. Stoornissen van de gezichtsscherpte

1.1.a. Blindheid: Art. 723

  • 1.1.a.i. volledige blindheid (verlies van lichtperceptie) 100%

  • 1.1.a.ii. bijna volledige blindheid (de persoon kan de vingers niet tellen) 100 %

  • 1.1.a.iii. praktische blindheid (gezichtsscherpte minder dan 1/20 aan elk oog), t.t.z. die het normaal uitoefenen van een beroep niet toelaat 100 %

1.1.b. Verlies van het gezichtsvermogen van een oog terwijl het ander oog normaal is

  • 1.1.b.i. Art. 724: Totaal verlies van het gezichtsvermogen van één oog (afwezigheid van lichtperceptie) 30 %

  • 1.1.b.ii. Art. 724 bis: Bijna volledig verlies van het gezichtsvermogen van één oog (dat de vingers niet kan tellen) 30 %

  • 1.1.b.iii. Art. 724 ter: Verlies van het zicht aan één oog (gezichtsscherpte minder dan 1/20, met bewaren van het perifere gezichtsveld) 25 %

  • 1.1.b.iv. Art. 725: Verlies van het praktisch zicht aan één oog met esthetische schade 28 tot 35 %

  • 1.1.b.v. Art. 726: Atrofie of het wegnemen van de oogbol, indien een prothese mogelijk is, met inbegrip van de esthetische schade 33 %

  • 1.1.b.vi. Art. 727: Atrofie of het wegnemen van de oogbol met littekens die het normaal dragen van een prothese onmogelijk maken, met inbegrip van eventueel samengaande functionele letsels en esthetische schade veroorzaakt door dit oogletsel 35 tot 40 %

1.1.c. Vermindering van het centrale gezichtsvermogen aan een oog of aan beide ogen

Opmerkingen

  1. De gezichtsscherpte voor de verte zal bepaald worden met de optimale gewone optische correctie (bril of glazen in pasmontuur), bij middel van optotypen met goed contrast, aangepast aan de onderzoeksafstand.

Men gebruikt bij voorkeur een decimale optotypenschaal.

De gezichtsscherpte voor dichtbij zal bepaald worden bij middel van een aangepaste test (zoals deze van Parinaud of Snellen), na optimale correctie van eventuele refractieafwijkingen en van de presbyopie. Men onderzoekt steeds elk oog afzonderlijk en beide ogen samen.



  1. Zo de gezichtsscherpte aan elk oog afzonderlijk duidelijk lager is als met beide ogen samen (vb bij nystagmus), berekent men de invaliditeit overeenkomstig de volgende regel: "Men kent aan het slechtste oog de gezichtsscherpte toe die monoculair werd bepaald, en aan het andere de gezichtsscherpte die binoculair werd bepaald, waarna men in bijgevoegde tabel (Art. 728) de invaliditeit kan aflezen".

Zo er een vermindering van de gezichtscherpte voor de verte bestaat, evenwel met behoud van de mogelijkheid om van dichtbij te lezen, mag het invaliditeitspercentage, geschat overeenkomstig artikel 728, niet meer dan 70% bedragen.



  1. De bepaling van de gezichtsscherpte zal in sommige gevallen slechts een schatting zijn, die methodisch gestaafd zal worden. Het zal soms nuttig zijn het onderscheid te maken tussen de aangegeven gezichtsscherpte en deze aangetoond met verwarringstesten.

1.1.c.i. Art. 728

In de hieronderstaande schattingstabel, duidt de eerste verticale kolom de gezichtsscherpte aan van het ene, de eerste horizontale kolom, deze van het andere oog aan. Het cijfer in de rechthoek, gemeen aan beide kolommen, duidt het percentage van de invaliditeit aan voor de vermindering van de globale gezichtsscherpte.

Gezichtsscherpte

1,0 tot 0,80

0,70

0,60

0,50

0,40

0,30

0,20

0,15

0,10

0,05

<0,05

0

1,0 tot 0,8

0

2

3

4

5

7,5

12

16

20

23

25

30

0,70

2

3

4

5

7

10

14

18

22

25

27

32

0,60

3

4

6

7

9

12

17

20

24

27

30

37

0,50

4

5

7

10

12

15

20

22

26

30

35

41

0,40

5

7

9

12

15

20

23

25

28

35

40

46

0,30

7,50

10

12

15

20

25

30

35

40

50

55

60

0,20

12

14

17

20

23

30

45

50

60

70

76

82

0,15

16

18

20

22

25

35

50

60

70

80

85

90

0,1

20

22

24

26

28

40

60

70

80

85

90

95

0,05

23

25

27

30

35

50

70

80

85

90

95

100

<0,05

25

27

30

35

40

55

76

85

90

95

100

100

0

30

32

37

41

46

60

82

90

95

100

100

100

Opmerkingen

  • < 0,05 (of minder dan 1/20) laat een zeker behoud van het gezichtsveld veronderstellen

  • "0" (of blindheid) laat het totale of bijna totale verlies van het gezichtsvermogen, het gezichtsveld inbegrepen, veronderstellen



1.1.c.ii. Art. 728 bis

Cornea astigmatisme van traumatische oorsprong, gelijk aan of hoger dan 4 dioptrieën:

  1. aan één oog 3%

  2. aan beide ogen 5%

Deze percentages mogen niet gecumuleerd worden met de percentages voorzien in de artikels 723 tot 746.

1.1.c.iii. Art. 728 ter

Dit artikel mag slechts toegepast worden na voorafgaande vaststelling van de scotomen in het centrale gezichtsveld bij middel van een perimetrische of een campimetrische methode (bij voorkeur een automatische perimeter met 10° onderzoek) met een normale gezichtsscherpte. De invaliditeit veroorzaakt door paracentrale of centrale scotomen, gelegen binnen een straal van 5° van het fixatiepunt, wordt geschat door het vermogen om te lezen te testen bij middel van een gewoon drukwerk, zoals een krant of een boek. Het onvermogen om te lezen kan het gevolg zijn van een gebrekkige centrale gezichtsscherpte; in dit geval wordt de invaliditeit bepaald overeenkomstig artikel 728.

Zo daarentegen het onvermogen om te lezen, met behoud van de centrale gezichtsscherpte (i.e.  0.8), bijvoorbeeld veroorzaakt wordt door een scotoom dat het fixatiepunt benadert, wordt de invaliditeit geschat als volgt:

1. Het totaal onvermogen om een doorlopende tekst te lezen, omwille van scotomen in het centrale gezichtsveld:

  1. aan één oog 10 %

  2. onvermogen om te lezen in binoculair zicht 30 %

2. Merkbare stoornis bij het lezen van een doorlopende tekst, omwille van scotomen in het centrale gezichtsveld:

  1. aan één oog 1 tot 3 %

  2. aan beide ogen samen 3 tot 10 %

De invaliditeitspercentages, voorzien in dit artikel, mogen niet gecumuleerd worden met deze van de artikels 728 en 728 bis.


1.1.d. Perifeer gezichtsvermogen / gezichtsveld

De invaliditeitspercentages van deze rubriek zijn gebaseerd op de relatieve waarden van de verschillende zones van het gezichtsveld (tabellen A en B volgens Esterman (zie hieronder)):



Basisprincipes:

Een arbitraire waarde van 100 wordt gegeven aan het gezichtsveld van één oog, waarbij de zone van 5°, te vertrekken van het fixatiepunt, niet wordt meegerekend. De aantasting van deze centrale zone van het gezichtsveld valt onder rubriek C.

De tabellen A en B hieronder geven de relatieve waarden weer van de verschillende zones van het gezichtsveld.

Het volledig verlies van één van deze zones komt overeen met een cijfer dat als basis dient voor de invaliditeitsberekening.

Deze berekening gebeurt als volgt:

  • Een unilateraal defect: 20 % van de waarden van tabellen A en B

  • Een bilateraal, heteroniem defect: (OD+OS)/2 x 40% van de waarden van tabellen A en B

  • Een bilateraal, homoniem ('congruent') defect: (OD+OS)/2 x 85% van de waarden van tabellen A en B.

    • Het totaal verlies van de twee gezichtsvelden (waarbij de centrale zone buiten beschouwing blijft) geeft een invaliditeit van 85 %, het is te zeggen 85 % van het cijfer 100 dat voorkomt in het vakje rechts onder van de tabellen A en B

  • Bij gemengde uitval, deels unilateraal en deels bilateraal: samentellen van

  1. Homonieme defecten: (OD+OS)/2 x 85% van de waarden van tabellen A en B

  2. Overige defecten aan 20% van de waarden van tabellen A en B

In de publicatie van het OBSI in het Staatsblad wordt 'congruent' als synoniem gebruikt voor homoniem (i.e. 'in dezelfde zones' = overlappende scotomen binoculair).

Deze cijfers zijn richtinggevend om de geneesheerexpert toe te laten de strakheid van artikels 729 tot 734 van de invaliditeitsschaal te milderen. De invaliditeitspercentages in deze artikels vastgelegd, zijn afgeleid uit de hierboven beschreven basisprincipes.

Tabel A

Relatieve waarden van kwadranten en hemi-velden


Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste

14

19

33

Onderste

27

40

67

Totaal verticale

41

59

100

Tabel B

Relatieve waarden van de concentrische zones

Van de periferie tot

60°

50°

40°

30°

20°

10°

Relatieve waarde

10

20

35

50

72

94

100

Opmerkingen:

  1. Alleen de absolute defecten worden in acht genomen. Deze moeten bepaald worden aan elk oog afzonderlijk met een apparaat dat toelaat een nauwkeurige topografie op te nemen en met de grootst mogelijke test, bijvoorbeeld, wit V/4 van de perimeter van Goldmann. Wanneer een dergelijke techniek onmogelijk is, gezien de toestand van de patiënt, kan men een meer eenvoudige techniek toepassen. Bijvoorbeeld bij een neerliggend persoon die bewust is en goed meewerkt, maakt de confrontatietest een relatief nauwkeurige aflijning van de absolute defecten van het gezichtsveld mogelijk.


In ieder geval moet in het verslag betreffende het onderzoek vermeld worden welke techniek gebruikt werd (apparaat, testobjecten, enz.).

  1. De absolute of relatieve defecten in de centrale zone (5° straal), die de gezichtsscherpte en/of de mogelijkheid tot lezen aantasten, worden behandeld in rubriek 1.1.c.

  2. De concentrische vernauwingen van het gezichtsveld komen niet in aanmerking in afwezigheid van objectieve letsels. Bij twijfel, bijvoorbeeld bij twijfelachtige of zelfs bij duidelijke ontkleuring van de papil, moet men de gebruikelijke controletechnieken aanwenden (herhaalde onderzoeken, andere meettechnieken, simulatieproeven, enz.).

  3. De invaliditeitsschalen vastgelegd in rubriek 1.1.d., betreffen enkel de gezichtsvelduitvallen, met uitzondering van elk andere afwijking van de gezichtsfunctie. Men moet ze dus samentellen, indien nodig, met de waarden vastgesteld in andere rubrieken, vooral met diegene die voorzien zijn voor aantasting van gezichtsscherpte en centraal gezicht (zie opmerking 2 hierboven). Het totaal mag de 30 % niet overtreffen voor één oog en de 100 % voor de twee ogen samen.

Toepassing:

1. Regelmatige defecten

Onder regelmatige defecten verstaat men deze waarvan de grenzen samenvallen met de verticale en horizontale meridianen van het gezichtsveld, alsook de ongeveer concentrische beperkingen.


1° Bilaterale quadranopsie of hemianopsie

Art. 729 : Homonieme quadranopsie of hemianopsie

Tabel 1


Linkse

Rechtse

Totale horizontale

Bovenste

13%

15%

28%

Onderste

27%

30%

57%

Totale verticale

40%

45%


Art. 730: Heteronieme quadranopsie of hemianopsie

Tabel 2


Binasale

Bitemporale

Bovenste

6%

8%

Onderste

10%

16%

Totale verticale

16%

24%


2° Quadranopsie of hemianopsie bij een éénogige

Art. 731

De percentages die voorkomen in tabel 3, moeten samengeteld worden met het invaliditeitspercentage voor het verlies van het andere oog, om het totale percentage te bekomen van de ooginvaliditeit.

Tabel 3


Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste

2%

16%

28%

Onderste

23%

34%

57%

Totale verticale




- rechtse

40%

45%


- linkse

33%

48%



3° Quadranopsie of hemianopsie aan één oog

Art. 732

Tabel 4


Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste

3%

4%

7%

Onderste

6%

8%

14%

Totale verticale

9%

12%



4° Concentrische vernauwingen

Ter herinnering: er dient rekening gehouden te worden met de Opmerkingen 2 en 3 hogerop in rubriek 1.1.d.

Art. 733

Tabel 5

Temporale straal v/h gezichtsveld dat overblijft

Aan één oog

Aan beide ogen

Bij een éénogige toeslag (*)

60°

2%

9%

6%

50°

4%

17%

12%

40°

7%

30%

19%

30°

10%

42%

30%

20°

14%

61%

43%

10°

19%

80%

56%

20%

85%

60%

(*) Toe te voegen aan de invaliditeitspercentages die voorzien zijn in het artikel van rubriek 1.1.b.

2. Onregelmatige defecten

De onregelmatige defecten van het gezichtsveld zijn deze die hierboven (tabellen 1 tot 5) niet vermeld worden, evenals de paracentrale, arciforme en andere scotomen.

De defecten in de centrale zone (5° straal of minder) tasten in het algemeen de gezichtsscherpte en/of de leesvaardigheid aan; zij vallen aldus onder toepassingen van rubriek C en worden hier niet beschouwd, wat niet belet dat een paracentraal scotoom, dat storend is zonder nochtans de gezichtsscherpte aan te tasten, een invaliditeit tot gevolg kan hebben (zie art 728ter). De invaliditeit, veroorzaakt door een onregelmatig perimetrisch defect, kan moeilijk nauwkeurig vastgesteld worden.

Met moet deze dus bepalen door overeenkomst met regelmatige defecten, waarbij men rekening zal houden met de betrekkelijke waarden van de verschillende zones van het gezichtsveld (tabellen A en B hierboven). Het gebruik van het Esterman rooster is hier aangewezen.

Art. 734

1. Onregelmatige defecten van het gezichtsveld met gebruik van tabellen A en B (zie 1.1.d. Basisprincipes).

a) aan één oog - 0% tot 20% van de waarden van tabel A en B

b) aan beide ogen, in verschillende zones - 0% tot 40% van de waarden van tabel A en B

c) aan beide ogen, in dezelfde zones (congruent= dus niet gecompenseerd door het gezichtsveld van het andere oog) - 0% tot 85% van de waarden van tabel A en B


N.B.: Het vooropgesteld invaliditeitspercentage moet verantwoord worden door een schema van het gezichtsveld dat bij het verslag dient gevoegd te worden.


2. Onregelmatige defecten van het gezichtsveld met het gebruik van het Esterman rooster (zie link):

Aflijnen van de perifere grenzen en de absolute scotomen met index 4/V op origineel Goldmann papier (een kopie heeft vaak een andere schaal). Eventueel de twee Goldmann's over elkaar in tegenlicht bekijken om de overlappende (homonieme) scotomen beter in te schatten. De invaliditeit per oog bepalen door een transparante afdruk van het Esterman rooster (zie link) op elke Goldmann te plaatsen (telkens temporaal overeenstemmend). Het scotoom wordt gedefinieerd als het aantal eenheden waarvan het centraal punt buiten of op de grens van het gezichtsveld valt. De berekening van de invaliditeit (hieronder) is een percent van het totaal aantal eenheden bevat in het scotoom per oog.

Berekening van de invaliditeit:

  • Aan één oog: 20%

  • Aan beide ogen niet in dezelfde zones (heteroniem): (OD+OS)/2 x 40%

  • Aan beide ogen in dezelfde zones (homoniem = 'congruent' = overlappende scotomen binoculair): (OD+OS)/2 x 85%

  • Aan beide ogen deels heteroniem, deels homoniem:

    • Esterman rooster kan hier niet gebruikt worden *

    • Gebruik de basis principes (tabellen A + B) en tel de relatieve waarden van de verschillende zones samen

      • Homonieme defecten: (OD+OS)/2 x 85%

      • Overige defecten aan 20%

Bij de berekening van artikel 734 mag de invaliditeit niet te veel verschillen van de approximatieve vergelijking met Tabellen 1 – 5 (regelmatige defecten)

* Het Esterman rooster kan hier niet gebruikt worden omdat het optellen van heteronieme en homonieme defecten per oog een onder-estimatie geeft van het totaal defect indien het berekend wordt aan 40% en een over-estimatie van het totaal defect indien het berekend wordt aan 85%.


1.1.e. Licht-en kleurzin

1.1.e.i. Art. 735: 5 tot 15%

Uitgesproken en binoculaire aantasting van de globale lichtzin, met vermindering van de absolute gevoeligheid tot een honderdste of tot minder dan een honderdste van deze van een normale proefpersoon van dezelfde leeftijd mag slechts toegekend worden indien de binoculaire gezichtsscherpte ten minste 2/10 bedraagt en indien de straal van het binoculair gezichtsveld niet tot minder dan 10° vernauwd is.

Deze uitgesproken aantasting van de lichtzin moet vastgesteld worden na ten minste een kwart uur adaptatie aan de duisternis en met behulp van een adaptometer die, zoals het apparaat van Goldmann-Weekers, de bepaling toelaat van de globale gevoeligheid van het volledig binoculair gezichtsveld.

Een vermindering van de gevoeligheid tot een honderdste beantwoordt aan 2 logaritmische eenheden van de instrumentale schaal. Het moet opgemerkt worden dat een elektroretinografisch onderzoek toelaat een dergelijke uitgesproken aantasting van de lichtzin te objectiveren.

1.1.e.ii. Art. 736: 3 tot 6 %

Uitgesproken, binoculair en verworven aantasting van de maculaire kleurenzin, waarbij het normaal trichromatisme herleid wordt tot een dichromatisme of tot een achromatopsie mag slechts toegekend worden indien de binocularie gezichtsscherpte tenminste 2/10 bedraagt. Deze uitgesproken aantasting van de kleurenzin moet bepaald worden met behulp van één of meerdere kwantitatieve testen zoals de Panel D-15 (alle mogelijke verwarringen die parallel zijn aan een bepaalde as), de AO H-R-R (ten minste "medium") of de anomaloscoop (mogelijkheid van volledige equaties tussen rood en geel en tussen groen en geel in het geval van dichromatisme in een rood-groen as).

De test van Ishihara laat niet toe deze erge aantasting te onderscheiden van de minder uitgesproken defecten.


1.1.f. Stoornissen van het binoculair zicht en van de motiliteit

1.1.f.i. Art. 737 Verlies van het binoculair zicht: 0 %

Het verlies of het gemis van het binoculair zicht geeft geen recht op enige invaliditeit welke hoger zou zijn dan deze voorzien voor de ermee gepaard gaande aandoening(en).

1.1.f.ii. Art. 738 Volledige of onvolledige uitwendige oogspierverlammingen

Het bestaan van de diplopie moet aangetoond worden door de Lancaster- of de Hess-Leestest, ofwel door een andere gelijkwaardige methode.

Het bereik van de diplopie wordt bepaald met behulp van een perimeter langs vier meridianen (verticaal, horizontaal en tweemaal schuin), door het vaststellen van het blikveld in niet gedissocieerd binoculair zien.

Zo aan de diplopie kan verholpen worden, in primaire stand van de blik, door het dragen van een prismatisch glas van maximum 8 prismatische dioptrie (of van 4 P.D. voor ieder oog), dient, bij de vaststelling van het blikveld van de diplopie, rekening gehouden met deze prismatische correctie.


1. Gezichtsscherpte gelijk of hoger dan 0,8 aan beide ogen

  • Diplopie bij blik rechtuit, waarbij het hoofd en de ogen zich precies in primaire stand bevinden (noodzakelijk v/e permanente occlusie): 20 %

  • Diplopie ter hoogte van het horizontaal gearceerd gedeelte van het bijgevoegd schema, d.w.z. tussen 0° en 10° van het fixatiepunt: 16 tot 19 %

  • Diplopie ter hoogte van het verticaal gearceerd gedeelte van het bijgevoegd schema, d.w.z. tussen 10° en 20° van het fixatiepunt: 11 tot 15 %

  • Diplopie, die zich buiten de reeds vermelde streken bevindt, zal aanleiding geven tot een invaliditeitspercentage dat zal bekomen worden door het samentellen van de getallen vermeld op het bijgevoegd schema, naargelang de afwezigheid of de aanwezigheid van diplopie langs de acht stralen. Men zal slechts rekening houden met één enkele straal, namelijk die voor dewelke de som van de twee getallen het grootst is.

  • Heteroforie geeft geen invaliditeit volgens OBSI. De hieronder vermelde (zie 1.1.g.viii. Art. 745ter) Europese schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit stelt in Art. 15-4 een invaliditeit voor van 5% bij een volledige verlamming van de convergentie.

2. Gezichtsscherpte lager dan 0,80 aan één oog of aan beide ogen

De invaliditeit bij een persoon, tegelijkertijd aangetast door een vermindering van de gezichtsscherpte en een diplopie, wordt vastgesteld door het invaliditeitspercentage voor de vermindering van de gezichtsscherpte te schatten overeenkomstig art. 728; daarbij wordt het invaliditeitspercentage van de diplopie toegevoegd, geschat overeenkomstig art. 738-1, doch op een billijke en verantwoorde wijze verminderd, rekening houdende met de noodzakelijkheid tot occlusie van het oog waarvan de gezichtsscherpte het minst goed of het beste is.

Opmerking:

Het staat vast dat gevallen, waarin het oog dat de occlusie noodzaakt een merkelijk betere gezichtsscherpte vertoont dan het andere oog, zelden voorkomen. Vooraleer een bestendig invaliditeitspercentage vast te stellen, dienen de mogelijkheden tot wederaanpassing van de patiënt te worden nagegaan. Bijvoorbeeld, de progressieve verbetering van de gezichtsscherpte van een verzwakt oog met een gepaste correctie, of nog, de aanpassing van de patiënt aan het gebruik van een door een oogspier verlamming getroffen oog, ondanks de verkeerde projectie.

Eveneens dient rekening gehouden met gevallen, waarin de patiënt niet over een normaal binoculair zicht beschikt voor de schadelijke feiten. Alsnog bestaat de mogelijkheid dat er een verbetering optreedt (inhibitie scotomen), die de diplopie vermindert of zelfs uitschakelt.

1.1.f.iii. Art. 739 Interne verlammingen

Volledige interne oftalmoplegie:

  • aan één oog 10 %

  • aan beide ogen 20 %

1.1.f.iv. Art. 740 Mydriase zonder andere letsels en met functionele symptomen, volgens de pupildoormeter

  • aan één oog 0 tot 3 %

  • aan beide ogen 0 tot 7 %

1.1.f.v. Art. 741

1. Unilaterale iris-coloboom en iridodialyse:

  • Verlies van 1/4 van de irisomtrek 1 tot 3 %

  • Verlies van 1/2 van de irisomtrek 4 tot 7 %

  • Aniridie 10 %

2. Bilaterale iriscoloboom en iridodialyse:

De percentages voor ieder oog samen tellen.

N.B. Alle percentages vermeldt in de artikelen 739, 740 en 741 houden ook de esthetische schade in, voortvloeiend uit het beschreven letsel.


1.1.g. Opaciteiten van de brekende media:

1.1.g.i. Art. 742

Cataract, dat een vermindering van de gezichtsscherpte veroorzaakt: bij de toepassing van de artikels 723 tot 728ter moet rekening gehouden worden met de volgende richtlijnen:

1. Unilaterale cataract:

a) Verworven en heelbaar (*):

  • Indien het andere oog normaal is: artikels 728 en 728ter toepassen tot een maximum van 25 %, hierin begrepen de zichtbare misvorming (bvb. door witte cataract)

  • Indien het zicht uit het andere oog niet normaal is: zie hieronder sub 2/2

b) Aangeboren of niet heelbaar (**)

Zie artikels 724, 724bis en ter, 728 en 728ter.

2. Bilaterale cataract (aangeboren of verworven)

  1. Indien de cataract aan beide ogen heelbaar is (*): artikels 728 en 728ter toepassen tot een maximum van 50 %, hierin begrepen de zichtbare misvorming;

  2. Indien slechts aan één oog de cataract heelbaar is (*): artikels 728 en 728ter toepassen tot een maximum van 85 %;

  3. Indien aan geen van beide ogen de cataract heelbaar is (**): zie artikels 723, 728 en 728ter.

N.B. De hulp van een 3de persoon kan voorzien worden in dit laatste geval (2.3.), maar niet in de 1ste 2 (2.1. en 2.2.).

1.1.g.ii. Art. 743 Unilaterale afakie met bewaring van het professioneel zicht van het andere oog:

15 % toevoegen aan de helft van het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel; het zo bekomen globaal percentage mag echter 25 % niet overschrijden.

1.1.g.iii. Art. 743 bis (***) Unilaterale pseudofakie met bewaring van het professioneel zicht van het andere oog:

10 % toevoegen aan de 2/3 van het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel; het zo bekomen globaal percentage mag echter 25 % niet overschrijden.

1.1.g.iv. Art. 744 Unilaterale afakie, indien de gezichtsscherpte van het andere oog niet meer dan 3/10 bedraagt:

20 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter de 100 % niet overschrijden.

(*) De OBSI (o.a. Art. 742) werd in het staatsblad gepubliceerd in 1975-1976. Toen werd een cataract operatie met lensimplantatie niet beschouwd als een ingreep die kon uitgevoerd worden met een zekerheid tot welslagen. Dit is nu doorgaans wel het geval. Uiteraard kan een patiënt niet verplicht worden om een ingreep te laten uitvoeren (recht op zelfbepaling). In het kader van de schadebeperkingsplicht van patiënt is het evenwel vaak aangewezen om, bij een heelbaar cataract met minimale risico's en een hoge graad van waarschijnlijkheid omtrent de schadevermindering, rekening te houden met de voorspelde gezichtsscherpte na een vermoedelijk ongecompliceerde ingreep.

(**) De vaststelling dat een cataract niet heelbaar is, moet door een oogarts in een omstandig gemotiveerd verslag vooropgesteld worden en zal door de deskundige beoordeeld worden. Bij de vaststelling dat een cataract niet heelbaar is, dient rekening gehouden met lokale of algemene somatische factoren, evenals met morele bezwaren.

1.1.g.v. Art. 744bis (***) Unilaterale pseudofakie, indien de gezichtsscherpte van het andere oog niet meer dan 3/10 bedraagt:

15 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter 100 % niet overschrijden.

1.1.g.vi. Art. 745 Bilaterale afakie (geopereerde of geresorbeerde bilaterale cataract):

25 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter de 100 % niet overschrijden.

N.B.: Bij de toepassing van artikels 743, 744 en 745 meet men de gezichtsscherpte van het afaak oog na optische correctie (bril of glazen op een pasbril).

1.1.g.vii. Art. 745bis Subluxatie van de lens: 0 tot 5 %

Percentagevermeerdering zonder mogelijkheid van samenvoeging met een rechtstreeks verbonden letsel van het voorste segment (vb mydriase).

1.1.g.viii. Art. 745ter (***) Bilaterale pseudofakie:

20 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter 100 % niet overschrijden.

N.B. Bij de toepassing van artikels 743bis, 744bis en 745ter wordt er onder de gezichtsscherpte in de pseudofakie bedoeld, de gezichtsscherpte bekomen met implant en na supplementaire correctie (bril of glazen op een pasbril).

De percentages voor deze artikels 743bis, 744bis en 745ter zijn niet cumuleerbaar met de percentages toegekend in functie van de artikels 740 en 741.

(***) Deze artikels werden niet gepubliceerd in het Staatsblad en zijn nog steeds een voorstel. Een ander voorstel, de Europese schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, werd in 2011 gepubliceerd door CEREDOC (Europese vereniging van experten in lichamelijke schade). Deze schaal werd niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en hanteert een verminderde invaliditeit voor pseudofakie in vergelijking met hogervermelde OBSI artikels (***): per pseudofaak oog 5% toevoegen aan het cijfer dat met het verlies van de gezichtsscherpte overeenstemt zonder 25% voor unilaterale en 85% voor bilaterale schade te overstijgen. Het wordt vaak aanbevolen om deze CEREDOC schaal te gebruiken voor pseudofakie bij 50 plussers.

Nota: In geval van belangrijke anisometropie gelijk of hoger dan 3 dioptrie bij een unilaterale pseudofakie, zal het percentage voorzien door artikels 743bis en 744bis verhoogd worden met een percentage tussen 3 en 5 %. Het maximumcijfer van 5 % stemt overeen met een anisometropie van meer dan 5 dioptrie hypermetropie voor de verte (het pseudofaak oog het meest hypermetroop zijnde).

Opmerkingen:

  • De wijziging van de Officiële Belgische Schaal vormt geen voldoende element om de herziening te vragen van een vroeger vastgesteld percentage; het is in de medische zin geen nieuw feit.

  • De mogelijkheid tot herziening bij arbeidsongevallen (wettelijke herziening na 3 jaar, mogelijkheid beroep te doen op het fonds voor arbeidsongevallen na 3 jaar in geval de gedeeltelijke blijvende invaliditeit met meer dan 10 % toeneemt) laat toe de letsels na een redelijk termijn te consolideren.

1.1.g.ix. Art. 746 Belangrijke en prepupillaire hoornvlieslittekens.

  1. De gezichtsscherpte verminderend tot minder dan 8/10: Artikels 728 en 728ter toepassen.

    N.B. In geval van een belangrijk, t.t.z. een uitgebreid en dens (porseleinachtig) hoornvlieslitteken met zichtbare misvorming, is het soms aangewezen het zo bekomen percentage te verhogen met een maximum van 3 %.



  1. Zonder vermindering van de gezichtsscherpte tot minder dan 8/10. Het litteken moet met het blote oog zichtbaar zijn, het moet ook bij de skiascopie zichtbaar zijn en aanleiding geven tot een misvorming van het oftalmometrisch beeld of van het beeld van de Placido-schijf. Het moet aanleiding geven tot subjectieve klachten die geobjectiveerd zullen worden enerzijds door de vergelijking van het gezichtsvermogen voor de verte en van dichtbij met gewone verlichting en met hevige verlichting en anderzijds door de biomicroscopische gegevens. Dit alles wegens de invloed van de toestand van de pupil (rol van de verlichting, van de accommodatieconvergentieverhouding en van de optische verstrooiing).



  • Puntvormig, dens, centraal of zeer dicht bij het centrum 0 tot 1 %

  • Uitgebreid, dens, centraal of dicht bij het centrum 0 tot 2 %

N.B. Het begrip hoornvlieslitteken houdt een op definitieve wijze gestabiliseerde cicatriciële toestand in, met uitsluiting van alle evolutieve opaciteiten.


1.2. Adnexae van het oog


1.2.a. Oogkas

1.2.a.i. Art. 747: 40 tot 70 %

Vernieling van een belangrijk gedeelte van de oogkas en van heel zijn inhoud, de oogbol inbegrepen, verminking zonder mogelijkheid van herstel.

1.2.a.ii. Art. 748

Trigeminusneuralgieën, pijnlijke zenuwtrekkingen: zie artikel 568 (OBSI Deel VIII).

1.2.a.iii. Art. 749

Oculaire trofische stoornissen en neuroparalytisch syndroom wegens de verlamming van de oftalmische tak van de trigeminus:

vermeerderen met 5 tot 10 %

1.2.a.iv. Art. 750

Exoftalmie / Enoftalmie

Ten minste 3 mm verschil met de normale waarden:

  • aan één oog 0 tot 2 %

  • aan beide ogen 0 tot 4 %


1.2.b. Oogleden en bindvlies

1.2.b.i. Art. 751

Zichtbaar ectropium, hierin begrepen het getraan.

1. Aan één oog

  • Eversie van het traanpunt 5 %

  • Gapen van de fornix of aanwezigheid van een tranenwal 7 %

  • Volledige eversie 10%

2. Aan beide ogen

De percentages voor beide ogen samentellen.

1.2.b.ii. Art. 752

Zichtbaar en bestendig entropium, hierin begrepen het getraan.

1. Aan één oog

  • Op 1/3 van de ooglidrand 5 %

  • Op 2/3 van de ooglidrand 7 %

  • Op heel de ooglidrand 10 %

2. Aan beide ogen

De percentages voor beide ogen samentellen

1.2.b.iii. Art. 752bis

Lagoftalmie

a. Functioneel of door verlamming aan één oog 5 tot 10 %

    Functioneel of door verlamming aan beide ogen 10 tot 15 %

b. Cicatricieel aan één oog 5 tot 15 %

    Cicatricieel aan beide ogen 10 tot 20 %

Mag niet gecumuleerd worden met de eventueel samengaande ec-/entropium en getraan.

1.2.b.iv. Art. 753

Cicatriciële bindweefselstrengen, pseudo-pterygium, pterygoïd, volgens hun omvang en hun verwikkelingen 0 tot 15 %

N.B. Een invaliditeit van 15 % beantwoordt aan de gevallen met een begrenzing van de beweegbaarheid van de oogbol.

1.2.b.v. Art. 753bis

Chronische palpebro-conjunctivale prikkeling wegens talrijke ingebedde vreemde lichamen:

  • aan één oog 0 tot 5 %

  • aan beide ogen 0 tot 10 %

1.2.b.vi. Art. 754

Ptose wanneer, bij horizontale blikrichting, de pupil niet op normale wijze ontbloot kan worden:

1. Aan één oog

  • 1/2 van de pupil kan niet ontbloot worden 5%

  • 3/4 van de pupil kan niet ontbloot worden 7 %

  • De hele pupil kan niet ontbloot worden 15 %

  • Het hele hoornvlies kan niet ontbloot worden 20 %

2. Aan beide ogen

De percentages voor ieder oog samentellen


1.2.c. Traanstelsel

1.2.c.i. Art. 755

Getraan (epifora)

a. alleenstaand, door obstructie, aan één oog 3 tot 5 %

alleenstaand, door obstructie, aan beide ogen 5 tot 10 %

b. zichtbaar getraan door een mechanische of een neurale oorzaak (zgn. krokodillentranen) 0 tot 3 %

1.2.c.ii. Art. 756

Geobjectiveerde lacrymale hyposecretie (sicca-syndroom):

  • Aan één oog 0 tot 5 %

  • Aan beide ogen 0 tot 10 %

1.2.c.iii. Art. 757

A. Niet heelbare traanzakontsteking

  • aan één oog 5 tot 10 %

  • aan beide ogen 10 tot 15 %

B. Traanfistel

  • aan één oog 3 tot 5 %

  • aan beide ogen 5 tot 10 %

N.B.: Alle percentages vermelden in bovenstaande rubriek 1.2.b houden ook het esthetisch nadeel in voortvloeiend uit het beschreven letsel. 


Bijlage 1: Het Esterman rooster (zie link)





top ^